De Arenal

Van San José naar de Arenal, 21 september
We zijn wederom erg vroeg wakker. We hebben eigenlijk afgesproken dat de huurauto om 10.00 uur voor komt rijden. Maar aangezien Thrifty schuin tegenover het hotel blijkt te zitten, besluiten we om de auto om 08.30 uur zelf maar op te gaan halen.
Erg veel haast hebben ze niet en we moeten een berg papierwerk doorlezen en ondertekenen, maar uiteindelijk kunnen we in onze kleine Daihatsu Terios op weg.

We zien het hotel liggen maar het is nog een hele tour om er te komen met alle eenrichtingswegen in San José. Nadat we de bagage hebben ingeladen vertrekken we vol goed moed richting Arenal.

Dat moet toch gemakkelijk zijn, denken we…. We moeten namelijk richting het vliegveld en van daaruit, op de enige snelweg die Costa Rica bezit, verder rijden. Maar San José is blijkbaar zo aan ons gehecht geraakt dat het ons niet wil laten vertrekken.
We komen er gewoon niet uit. Het is erg druk, op elk kruispunt staat een verkeerslicht en er is helemaal niets aangegeven. Bovendien wemelt het van de eenrichtingswegen en voorstadjes, die helemaal aan elkaar zijn gegroeid en waarvan je niet weet dat je er binnengereden bent. We weten dus niet of we nog in San José zitten of al weer heel ergens anders.

We pakken de GPS maar uit de kofferbak om op kompas de stad te verlaten. Buiten de agglomeratie San José is alles wel redelijk goed aangegeven.

De wegen zijn belabberd. We komen er al snel achter waarom de Daihatsu Terios door kenners ook wel Daihatsu Teringjos wordt genoemd. Het is de meest oncomfortabele auto waar we ooit in gereden hebben. Omdat huurauto’s hier schrikbarend duur zijn hebben we de goedkoopste 4WD gehuurd. Maar ja, alles went en uiteindelijk zal het ding ons wel overal brengen waar we willen komen.

Over de 175 km van San José naar de Arenal rijden we zo’n vijf uur. Dit heeft deels te maken met het verlaten van San José, maar ook omdat de geasfalteerde wegen vol gaten zitten. En wanneer het hard regent, wat het hier vaak doet, kun je niet goed zien waar precies de gaten zitten. Ook zijn de wegen hier soms weggespoeld door de regen. Het lijkt wel of we in het Harry Potter boek zitten: de weg-is-weg komt hier inderdaad voor…

Uiteindelijk komen we tegen zonsondergang aan in de Arenal Observatory Lodge waar we de komende twee nachten zullen verblijven. We hebben een kamer met een enorm raam met uitzicht op de Arenal. Ons riante bed staat met het voeteneinde naar het raam zodat we van het uitzicht kunnen genieten. En wat voor een uitzicht: een geweldige combinatie van mist, nevel en wolken. We zijn erg benieuwd hoe dicht we nu bij die vulkaan zijn en hoe hij er uit ziet.

Rondom de Arenal, 22 september
Om vijf uur worden we gewekt door het geluid van brulapen. Maar we zien niets. (Mist, nevel en wolken).

We besluiten om voor het ontbijt een wandeling over het terrein van de lodge te maken. Al snel verraden bewegende takken de aanwezigheid van apen. Het blijken slingerapen te zijn en we blijven een hele poos staan om hun capriolen gade te slaan. Ze trekken zich van onze aanwezigheid niets aan en wij verbazen ons over hun enorme talent voor luchtacrobatiek.

Op weg naar een waterval wordt het pad glibberiger en steiler. We zien een paar neusbeertjes en een boskalkoen. Bij nader onderzoek blijkt dit een Guan geweest te zijn. Nadat we de, niet bijster spectaculaire, waterval bezichtigd hebben wordt het hoog tijd om terug te gaan naar de lodge als we nog willen ontbijten.

Het ontbijt bestaat wederom uit roerei, bonen met rijst, worstjes, pannenkoekjes, fruit en fruitsappen. In de Mawamba lodge was het hetzelfde maar toch veel lekkerder. De kok kan er blijkbaar toch nog iets speciaals aan toevoegen waardoor het anders smaakt. Hier had ik ook eierschaal in het roerei, maar die toevoeging kan ik niet waarderen.

Na het ontbijt gaan we alwéér wandelen, het is tenslotte pas 08.30 uur. We lopen de “Old Lava Trail” die de kwalificatie “moeilijk” heeft, maar eigenlijk valt dat enorm mee. En wij hebben zelfs een beperkte conditie. Deze trail is zó’n smal paadje dat we af en toe denken dat we maar beter een kapmes mee hadden kunnen nemen. Maar ja, wij hebben enkel onze paraplu’s bij. We lopen gewoon door, en proberen er niet aan te denken dat er ook nog slangen en ander gespuis kunnen zitten, want je ziet dus echt niet waar je loopt.

Uiteindelijk komen we bij een riviertje uit. Gezien de naam van dit pad nemen we aan dat dit riviertje ontstaan is door een oude lavageul. We zien inderdaad lavastenen liggen. Uiteraard pikken we er daar een aantal van mee voor onze stenenverzameling.

De weg terug loopt stijl omhoog over hetzelfde pad. Toch valt het wel mee. We staan dan ook erg vaak stil om iets te bekijken. In dit geval zijn het vooral insecten die de aandacht trekken. Zo zien we een glasvleugel-vlinder die, zoals de naam al zegt, geheel doorschijnende vleugels heeft. Wanneer ik mijn veter moet strikken blijk ik bovendien bijna op een wandelende tak te staan.

Ook zien we veel parasolmieren. Nou hebben wij het niet erg op mieren, maar deze zijn wel erg interessant. Zeker nu we de leefwijze van deze diertjes kennen, kunnen ze ons lang boeien. Ze lopen met, naar verhouding, enorme bladeren te sjouwen en als er dan eentje bijna omvalt dan komt een ander snel helpen. We zien ook mieren zeulen met een blaadje waar drie andere mieren op zitten. Dus in feite sjouwt zo’n mier met een blad dat veel groter is dan hij zelf, en dan zitten daar ook nog drie mieren op. Deze kleinere miertjes voorkomen dat andere insecten, zoals vliegen, hun eitjes op de blaadjes leggen. De mierenroutes zijn zo’n 10 cm breed uitgesleten en onvoorstelbaar in lengte. Inmiddels weten we dat deze mieren de bladeren meenemen naar enorme nesten onder de grond, van vele kubieke meters. De blaadjes dienen als compost voor de schimmels die ze eten. In Costa Rica zijn deze mieren verantwoordelijk voor 15% van de jaarlijkse ontbladering en een plaag voor boeren.

Na de middag gaat het regenen, dus we rijden maar eens naar La Fortuna. Tussen de wolken door zien we flinke rookpluimen uit de vulkaan komen. De inwoners zijn er vast aan gewend om zo dicht bij een werkende vulkaan te wonen, maar wij vinden het maar een vreemd idee.

Na regen komt geen zonneschijn, maar nu en dan laat de vulkaan zich toch zien. De lodge blijkt wel erg dicht bij de vulkaan te liggen en af en toe zien we rookpluimen en horen we een geluid alsof het onweert.

Tijdens het diner komt Elvis de lodge bezoeken. Een van de obers, die al verdacht veel op Elvis leek, blijkt een ware Elvis-imitator te zijn. Hij pakt zijn gitaar en komt aan de tafels zitten zingen. Het klinkt heel behoorlijk. Even later wijst een andere ober ons op een oranje gloed aan de donkere hemel. Dat blijkt een stroom lava te zijn. Ook al zien we niet veel, we vinden het erg spectaculair. We hadden niet verwacht iets dergelijks te zien aangezien de stromende lava zich buiten het zicht van de Arenal Observatory Lodge bevindt.

We proppen het eten naar binnen en rijden in twintig minuten, in het donker over een weg als gatenkaas, om de vulkaan heen. Helaas, de wolken versperren alweer het zicht op de top.

Verblijf in La Fortuna, 23 september
Vanmorgen slapen we heerlijk lang uit tot 6.00 uur. Wanneer we onze ogen openen strekt de vulkaan zich in volle glorie voor ons bed uit. En er zitten brulapen in de boom voor het raam. Dit is nog eens spectaculair wakker worden!

Helaas blijkt al vrij snel dat ik geveld ben door Montezuma’s Revenge. We moeten onze plannen wijzigen en er zit niets anders op dan in La Fortuna te blijven. Om financiële redenen, maar ook omdat we deze pleisterplaats moe zijn, besluiten we dat we voor de komende twee nachten een ander, minder afgelegen onderkomen gaan zoeken.

Gelukkig vinden we een prachtige Bed & Breakfast, Posada Colonial. Het ligt vrijstaand in de tuin van de eigenaars. Het heeft een balkon met magnifiek uitzicht op de actieve kant van de vulkaan, die vandaag zowaar wolkeloos is. Bovendien staat de deur open zodat we alvast een kijkje kunnen nemen. Helaas is er niemand thuis, dus besluiten we te wachten. Inmiddels ben ik zelf ook veranderd in een vulkaan die op uitbarsten staat en er is geen houden meer aan. Aangezien we deze kamer toch willen nemen, en de w.c. mij stralend tegemoet lacht, besluit ik die maar vast in gebruik te nemen.

Dat lucht even op maar ik wordt steeds beroerder en het kan nog uren, of zelfs dagen duren voordat de eigenaars thuis komen. Het heeft geen zin om nog langer te wachten, ik moet nú een onderkomen hebben. Dus besluiten we toch maar onze intrek te nemen in een cabina van Miradas Arenal, dat aan de overkant van de weg ligt. Ik hoop dat de eigenaars van Posada Colonial mij de inwijding van hun w.c. zullen vergeven. Ik kan het ze niet vragen want ik zal ze nooit meer zien.

Miradas Arenal is een complex van drie cabinas op een enorm stuk gras, dat deel uit maakt van een boerderij. De boer kent geen woord Engels, alleen: “One night, 40 dollar. Two nights is ok. No cheque, no credit card” Nou ja dat is genoeg, we blijven. De andere cabinas zijn niet bezet, dus we zijn zo’n beetje alleen op de wereld, en dat net buiten La Fortuna. Af en toe komt de boer als een echte cowboy te paard langs, met een kudde koeien.

Vanaf de veranda hebben we een spectaculair uitzicht op de vulkaan. Waarschijnlijk het beste uitzicht van heel La Fortuna en omgeving. De cabina heeft de badkamer in een soort serre, dus vanuit het bad en vanaf de pot hoef je niets te missen van het uitzicht. Nou dat komt goed uit, ik leer de badkamer heel goed kennen vandaag. Gelukkig is er verder niemand in de buurt want het inzicht van buiten naar binnen is net zo verassend.

En de vulkaan blijft tot 20.00 uur ’s avonds onbewolkt. We verblijven de hele dag op de veranda. Beetje lezen, spelletje doen, vulkaantje kijken, wat een leven….

Overdag zien we de lava regelmatig als grijze stoom omlaag komen, waardoor de flanken roken. Naarmate de zon verdwijnt, ondergaat dit schouwspel een dramatische metamorfose. De eerst nog grijze lava begint te gloeien, en wanneer de zon geen straaltje licht meer geeft, komt er helrood vuurwerk naar beneden. Niet voortdurend, maar wel regelmatig. Af en toe spuit er wat lava de lucht in maar meestal vormt zich een stroom omlaag. Als dit al zo prachtig is dan, moet een echte uitbarsting, zoals op de bekende foto’s, wel heel erg bijzonder zijn. Maar zelfs zonder uitbarsting is het heel surrealistisch om hier zo dicht bij een werkende vulkaan te zitten.

Dagtocht Caño Negro, 24 september
Om 07.30 uur moeten we bij het bureau van Jacamar Naturalist Tours zijn voor onze tocht naar Caño Negro. De andere toeristen worden allemaal bij hun hotel opgehaald. Maar Hans wist gisteren niet hoe die hutjes hier nou heten, dus wij moeten zelf komen. De groep bestaat uit negen Amerikanen en wij.

Op de heenweg naar Caño Negro komen we langs een restaurant waar ze leguanen voeren. Het restaurant ligt langs de rivier en op deze manier worden de leguanen naar binnen gelokt. Eigenlijk houden we daar niet van maar je kunt ze wel makkelijk fotograferen, zullen we maar zeggen. En bovendien blijven het op deze manier vrije dieren, en niet in gevangenschap. Toch vond ik de leguaan die ik zelf eerder onderweg in een boom zag liggen veel interessanter.

Ook komen we jabiru’s tegen. We zien ze van heel ver weg maar onze gids is erg enthousiast omdat de jabiru erg bedreigd is. Er was al vijf jaar geen jabiru meer gezien, tot deze een paar weken geleden opeens weer opdoken.

In Los Chiles stappen we in een boot en gaan we over de Rio Frio. Onderweg legt de boot bij een oever aan en moeten we al staande of zittend op een boomstam lunchen. Het eten is gemaakt door de moeder van de schipper en erg lekker. Het wordt in grote koelboxen warm gehouden en ondanks deze tegenstrijdigheid lukt dat goed. De jongen is erg trots op de kookkunst van zijn moeder en geniet van de complimenten die we hem geven.

Bovendien blijkt hij een goed oog voor de kleinste, in de schaduw verborgen dieren te hebben. We zien erg veel vogels, hagedissen, kaaimannen, apen en een luiaard. Ook staan we oog in oog met een groep vleermuizen, maar geen enkele toerist ziet ze. Na veel uitleg blijkt dat ze, vlak voor onze neus, plat met hun buikjes tegen een boomstam geplakt zitten. Bovendien zijn ze gecamoufleerd en maar vier centimeter klein en dat verwacht geen mens.

De gids komt waarschijnlijk veel in contact met Nederlandse toeristen, want speciaal voor ons beide (in dat gezelschap van Amerikanen) zegt hij elke dierennaam in het Nederlands: “Slan-ge-hals-vo-gel”. Ook laat hij voor ons gezelschap een zogenaamde Christusbasilisk over het water rennen, zodat deze zijn naam eer aan doet. Dat ziet er bijzonder komisch uit.

Ten slotte varen we over een overstroomd weidegebied. Dat is in de regentijd nog meer overstroomd. Nou dachten we toch echt dat we hier op het hoogtepunt van de regentijd zijn, maar blijkbaar is het water nu alweer aan het zakken. Het ziet er toch nog wel heel mooi uit.

Na terugkomst in La Fortuna brengen we wat tijd in het internetcafeetje door en na het eten kunnen we weer de hele avond genieten van een onbewolkte vulkaan in actie.

Vervolg: Rincón de la Vieja

Bijbehorende foto's