Copán en het meer van Izabal

Copán, Maandag 15 juli
Vandaag zijn we van Antigua naar Copán gereden. Onderweg kwamen we door Guatemala-stad. De buitenwijken (krottenwijken) zijn typisch gebouwd op de uiterste punten van een soort klippen. Verder was het er een enorme verkeerschaos.
Na Guatemala-stad reden we even door een landschap wat je meer in Noord-Mexico verwacht: veel droger met overal enorme pijp-cactussen en bladcactussen; soms zelfs cactusbomen. Het laatste stuk naar Copán was een grintweg maar door een prachtig berglandschap. Ongerept.

We zijn nu dus in het dorpje "Ruďnes de Copán" en de ruďnes die daarbij liggen heten "Copán". Logisch toch?
Het dorpje heeft een grappig klein museumpje waar ze allerlei leuke snuisterijen hebben die van Copán afkomstig zijn. Bijv. twee doodshoofden met jade (?) in de tanden voor de sier. Ook waren er twee skeletten; één daarvan hebben ze compleet met grafgiften (potten en een jade ketting) overgebracht naar dit museum. Ook hadden ze zeer gave Mayabeelden.
's Avonds hebben we gegeten in een restaurant. Toen het enorm ging plenzen begon het dak te lekken. Er vielen allemaal minuscule druppeltjes op onze tafel. We hebben maar weer Italiaans besteld. Dat bevalt nl. goed maar het typisch Mexicaanse (e.d.) eten valt tegen. De tortilla’s zijn klef, slap en zonder smaak en vaak worden die in een saus geserveerd waardoor je helemaal zo'n doorweekte boterham idee krijgt. Verder is de smaak in zijn algemeenheid wee.

Meer van Izabal, Dinsdag 16 juli
We zijn vandaag aangekomen in weer een heel ander stuk van Guatemala. Het lijkt hier wat op het Caraďbisch gebied. Je ziet het ook aan de mensen. Het hotel heeft een zwembad en van daaruit kijk je mooi uit over het meer van Izabal. De naam kan van een Spaanse prinses komen maar het kan ook uit de Maya-taal komen: "waar men altijd zweet.."

Maar vanmorgen zaten we dus nog in Honduras. We hebben eerst ontbeten in een restaurant met Nederlandse eigenaars: zelfgebakken brood, ham, "Goudse" kaas, gekookt eitje, heerlijk. Daarna naar de ruďnes geweest.
Onderweg daarheen lopend kwamen we een man tegen die uitleg gaf bij twee stčles langs de weg. Wij dachten dat hij dat deed voor een fooi maar later kwamen we hem in het park als gids tegen.

De regering van Honduras steekt pas sinds kort geld in de restauratie. Zo is men pas 9 jaar geleden begonnen met het uitgraven van het grootste gebouw. Je kunt hier dan ook nog goed zien hoe het er was toen de ontdekkers het aantroffen. Nog erg veel gebouwen zijn volledig begroeid. Je zou er zo voorbij lopen. Bij één gedeelte kon je goed de drie fases zien: voor de uitgraving, inmiddels uitgegraven en uiteindelijk gerestaureerd.

Wat vooral in Copán te zien zijn, zijn stčles, beelden en reliëfs. De stčles staan op een groot veld en sommige zijn aan twee zijden bewerkt. De ene zijde naar het oosten: de jonge kant en beschilderd met rood. De andere zijde naar het westen: de oude kant, de dood, beschilderd met zwart. Er was ook een altaar met een tweekoppige schildpad (een heilig dier). De ene naar het noorden, de andere naar het zuiden, ook voor dood en bloei; regentijd en droge tijd.
De beelden hebben veel te leiden van het klimaat. Daarom zijn ze nu bezig om kopieën te maken en de originelen naar het binnenmuseum te verplaatsen. Van één stčle hadden ze net een mal gemaakt en ze waren nu bezig het origineel op te takelen.
Bij dat veld was een piramide met hiërogliefentrap. Helaas zijn bij de restauratie de teksten in willekeurige volgorde op elkaar gestapeld waardoor de evt. belangrijke originele tekst verloren is gegaan. Voor de trap stond een stčle van koning Rook-Schelp en op de trap zitten in volgorde zijn voorvaderen. Daarbij lag een gave balspelbaan die weer net anders was als elders. Hier moest de bal namelijk tegen een aantal uitstekende beelden gespeeld worden. Bij de ingang van het park zaten nog wat papegaaien en apen die op zich wild waren maar ook weer tam.

Na een flinke hobbelige weg zijn we weer terug naar Guatemala gereden en vervolgens naar Quirigua. We hebben even een kijkje genomen op een bananenplantage van Del Monte. Del Monte heeft namelijk alle fruitteelt van Guatemala in handen. Deze plantage was enorm. Er was een soort fabriek. Daar werden de enorme trossen aan lopende banden gehangen. Vervolgens werden ze naar een enorme wasbak vervoerd. Ze werden gewassen, gesorteerd en gewogen. De mooie gingen in dozen voor de export. De minder smakelijk ogende werden los op een grote vrachtwagen gegooid en we namen aan dat die voor de binnenlandse markt zijn. Ook alle losse stammen werden op een vrachtwagentje geladen.

Vervolgens zijn we naar de ruďnes van Quirigua gegaan. De bloeitijd duurde hier maar 70 jaar onder drie koningen (na het verslaan van Copán). Er zijn dus niet veel gebouwen gebouwd en zie zijn dan nog voor het grootste gedeelte begroeid. Er zijn wel een aantal schitterend bewaard gebleven stčles e.d. te zien. Omdat deze van zandsteen zijn kunnen ze buiten blijven staan. Ze hebben er allemaal komische rieten afdakjes boven gebouwd.

Meer van Izabal, Woensdag 17 juli
Het heeft werkelijk de hele dag geregend en geonweerd. En ook vanmorgen bleef dat zo doorgaan. De boottocht die gepland stond ging dus niet door. Maar om 11.30 uur besloten een aantal mensen dat het alternatief, rond de hotelkamer hangen, zeker niets was.
Dus gingen we toch naar Livingston. Maar eerst moest het bootje nog even tanken bij een benzinepomp op een steiger boven het water. Het eerste gedeelte van de rivier striemde de regen als hagelkorrels in ons gezicht vanwege de snelheid van de boot. Daarna klaarde het weer plotseling op en werd het uitzicht schitterend.
We zagen veel vogels: aalscholvers, witte reigers, 2 soorten pelikanen en vogels met gele kuifjes. De rivier werd smaller en voerde door de jungle. Zo heb ik me een tochtje door de Amazone ook altijd voorgesteld. Hier werd dan ook de eerste tarzanfilm opgenomen. Aan beide zijden hoge wanden, dicht begroeid met oerwoud.
Op de terugweg voeren we ook nog door lagunes van het Chocón Machacas-reservaat. Dit is ingesteld om de mangrovebossen en de zeekoeien te beschermen. Die zeekoeien zagen we niet maar de mangrove wel. De boot hield stil en het was zo smal dat de jungle ons letterlijk omringde en overal hoorde je vogelgeluiden.

Livingston zelf was niet echt bijzonder. Wel klopte het dat je er, zoals in ons boek staat, veel big mama's met bloemetjesjurken ziet lopen en veel rastafari's. Het liefst loopt men op blote voeten. En zelfs op blote voeten sloft iedereen. Er hangt een "laat-maar-waaien" sfeertje; iedereen is over-relaxt. In het restaurant had ik soep en rijst besteld. Maar een uur na de soep was de rijst er nog niet dus rekenden we maar af. Ze hadden niet eens in de gaten dat we nog rijst hadden besteld en toen we de deur uitliepen zagen we nog net iemand met de rijst naar onze lege tafel lopen dus zijn we maar snel de straat op gegaan.

Vervolg: Tikal